Bij oma op schoot in mijn jongere jaren

Altijd als mijn inmiddels 98-jarige oma voor controle naar het ziekenhuis moest, vergezelde zij zich van een grote, zware, zwarte handtas. De inhoud ervan liet zich raden. “Doar hedde gullie niks mee te moake” (ja, wij zijn Brabo’s), antwoordde ze mijn moeder die informeerde naar haar mysterieuze bagage terwijl ze oma in een rolstoel door de ziekenhuisgang duwde.

De tas werd vervolgens op de balie gedeponeerd. De receptioniste, de man van de receptioniste, de dokter, de vrouw van de dokter, hun kinderen… Eigenlijk de hele afdeling plus aanhang moest haar ambachtelijk gebakken cake of worstenbrood proeven. Was dit een light-variant op maffiose praktijken of ging het hier om onschuldige Brabantse hartelijkheid? Ik meen het laatste. Toch kwam ze er altijd tussen, waar andere patiënten weken wachtten op een afspraak. “Uw cake was weer heerlijk, mevrouw”, zei de specialist dan opgewekt. 

Deze zomer overleed mijn oma, een paar dagen nadat ze Felix voor het eerst stevig tegen haar boezem drukte. Vol vreugde zei ze wel tien keer: “Wè is ut toch un schôn menneke!” Met een glimlach denk ik aan haar terug. De volgende keer dat we met Felix naar het ziekenhuis gaan, neem ik een berg worstenbroodjes mee voor de afdeling. Geen omkoperij, want aan de beurt komen we toch wel. 

Vrolijke meezinger ter ere van oma…