De gynaecoloog. De verloskundige. De verpleging. De kinderarts. De familie. De vrienden. Allemaal zeggen ze hetzelfde. “Trek tijdig aan de bel. Vraag hulp.” Oké, hier ben ik. Help! Een uurtje therapie per week. Verder moet ik het toch zelf doen, met wat steun van lieve familieleden die op de kindjes passen en vrienden die een luisterend oor bieden. 

“Denk aan jezelf.” Nog zoiets. Maar hoe dan? Die twee kleine schatten hebben hun mama nodig. Ik kan ze niet zomaar op Marktplaats zetten.

“Geef het de tijd.” Ja, oké. Maar hoe lang dan? En gaat het dan vanzelf over? Momenteel lijkt alles juist erger te worden. Die engel van een JP draait voor zoveel op. Hij is dag in dag uit de sjaak om mijn tranen te erkennen en mijn gepieker te relativeren. Onvoorwaardelijke liefde noemt mijn therapeut dit. Ik ben me zo bewust van dit geluk en dankbaar dat het goed is afgelopen met Felix. Toch word ik gek van spanning, angst, verdriet. PTSS krijg ik als stempel op mijn voorhoofd gedrukt. 

Dat er serieus iets mis is, maakt mijn eetlust mij duidelijk. Want die is er niet meer. Ik, die normaal gesproken het liefste drie borden avondeten opschept en het laatste restje ook nog uit de pan pitst, want aan voedselverspilling doen we niet. Ook in slaap vallen is moeilijk.

Regelmatig zeg ik tegen mezelf: “Kom op, get over it, ga iets leuks doen, benadruk de positieve dingen.” Ondertussen zweven mijn gedachten alle kanten op. Ik laat de voordeur open staan en laat geld in de pinautomaat liggen. Telkens wanneer ik denk dat het écht niet meer gaat, laat Zus met haar dreumescapriolen mij in een deuk liggen of laat Felix mij smelten met zijn glimlach. Dan raap ik mezelf in 1000 stukjes bij elkaar. Er is weer een nieuwe dag.